In 1936 geeft Groot-Brittannië Specification B12/36 uit wat
moet leiden tot de eerste viermotorige bommenwerper voor de
RAF. De specificatie geeft aan dat het toestel minstens 1.500
mijl moet kunnen vliegen met een bommenlast van 1000 kg. De
snelheid moet rond de 230 mijl per uur liggen op een hoogte
van ongeveer 28.000 voet (een kleine 10 kilometer). Short is
een van de elf bedrijven dat gevraagd wordt om een voorstel in
te dienen. De voorstellen van Short en Supermarine zijn van
dien aard dat alleen deze twee uitgenodigd worden om modellen
te bouwen. Mr. Lipcombe, Chef Ontwerper van Short, vraagt
toestemming om een spanwijdte van de vleugels van iets onder
de 100 voet te verlengen naar 112 voet. Dit wordt geweigerd
daar de toekomstige bommenwerper in de bestaande hangaars moet
passen. Dit brengt mee dat in de vlieghoogte en afstand moet
worden ingeboet. In 1938 bouwt Short een halve-schaal model.
De eerste vlucht met dit model is op 19 september 1938 met als
testpiloot John Lankester (what's in a name) Parker aan het
roer. Door de ervaring met het schaalmodel begint Short al
snel met de bouw van twee prototypen op ware grote. Het
Ministerie van Luchtvaart ziet dat Short veel verder is met de
ontwikkeling dan Supermarine en ordert tijdens de bouw van de
prototypen al 100 Mk I's. Op 14 mei 1939 maakt prototype L7600
haar eerste vlucht. Na een prachtige start en geslaagde
testvlucht zakt het toestel tijdens de landing door het
landingsgestel en wordt afgeschreven.
Prototype
L7600, 'door de hoeven'
Het tweede prototype, L7605, maakt de eerste vlucht op 3
december 1939, met een verbeterd landingsgestel (het blijft
wel een zwak punt bij de Stirling).
IN
PRODUKTIE
Stirling Mk
I
Door het toegenomen gewicht blijkt bij een volbelaste
Stirling Mk I, uit de eerste productie, de snelheid slechts op
165 mijl te liggen op een maximum hoogte van slechts 10.000
voet (ongeveer 3 kilometer). Om die hoogte te bereiken is 34
minuten nodig! De schuld wordt bij de motoren gelegd al was de
geringe spanwijdte ook een factor. De bewapening bestaat uit
een neuskoepel van Frazer Nash FN5A met twee 7.6 mm
mitrailleurs en in de staart een FN20A, ook met vier 7.6 mm
mitrailleurs. In de eerste versie van de Mk I verdwijnt al
snel de intrekbare geschutskoepel onder de buik. Het blijkt
dat deze koepel teveel weerstand opwekt in de luchtstroom. In
de 3de Serie van de Mk I wordt er een geschutskoepel op de rug
van de Stirling geplaatst. Deze 81ste productie machine wordt
uitgerust met de Frazer Nash FN7A toren die twee 7.6 mm
mitrailleurs herbergde. Ook wordt deze Serie III uitgerust met
de sterkere Bristol Hercules XI motoren die een kracht hadden
van 1500 pk, tegen de 1425 pk lichtere Hercules II.
De
geschutsopstellingen van de Stirling
Stirling Mk
II
Van de Stirling Mk II worden slechts vier prototypen
(om)gebouwd om te onderzoeken of de Wright Cyclone R-2600-A5b,
die een kracht van 1600 pk had, een geschikte motor was. Dit
in verband met een eventuele produktie in Canada. Na een test
blijkt dat de motoren geen duidelijke verbetering tonen en het
gehele Mk II project wordt afgeblazen.
Stirling Mk
III
Gedurende 1942 wordt besloten een zwaardere motor te
plaatsen, de Hercules VI met een kracht van 1635 pk. De
maximumsnelheid wordt nu gemeten tot 270 mijl per uur op
14.500 voet, zo'n 32 mijl sneller dan de eerste Serie van de
Mk I. De eerste machines van de Mk III gaan naar het 15
Squadron. Deze toestellen zijn uitgerust met de Frazer FN50A
ruggeschutskoepel die lager is en een rondom zicht verschaft
aan de schutter. In het voorjaar van 1943 blijkt uit onderzoek
dat de verliezen van de Stirling schrikbarend hoog zijn.
Iedere missie koste 10 tot 15 % verliezen, dit lag bij de
Lancaster en Halifax beduidend lager. Er wordt getest met een
.50 mitrailleur in het achterste ontsnappingsluik en dit
blijkt effectief. Zo snel mogelijk worden er plannen gemaakt
de Stirlings uit te rusten met deze extra bewapening. Enkele
Stirlings van het 149 en 199 Squadron worden als zodanig
uitgerust, maar het wordt niet serieus verder uitgevoerd. 199
Squadron wordt ingedeeld bij 100 Group en uitgerust met de
Stirling Mk III. Het squadron specialiseert zich in het storen
van Duitse radar, doormiddel van elektronische storing (bekend
als 'Mandrel') en het droppen van allumiumstroken genaamd
'WINDOW'. De eerste Stirling 'Mandrel' missie wordt in de late
avond van de 5de juni 1944 (de dag voor D-Day ) uitgevoerd.
Stirling Mk III, een
toestel van 199 Squadron
Stirling Mk
IV
Het gebruik van parachutisten en aanvalstroepen per
zweefvliegtuigen was duidelijk een succes gebleken gedurende
de oorlogsjaren. De Stirling was ooit ontworpen met in het
achterhoofd het droppen van parachutisten. De kleine deur
verhinderde echter grote groepen te laten springen. Toch werd
de Stirling soms ingezet als zodanig door kleine eenheden
achter vijandelijke linies te droppen. De geallieerden zochten
een toestel om zwevers te trekken. De Waco CG4A kon gemakkelijk door
een C-47 versleept worden. Maar om de zware Britse Horsa en Hamilcar zwevers te trekken waren
viermotorige vliegtuigen vereist. De Stirling bleek na een
test uitermate geschikt om deze zwevers te trekken en de Mk IV
was een feit. Om een betere prestatie te leveren wordt de
ruggeschutkoepel en de neuskoepel verwijdert. Om nog meer
gewicht te besparen wordt tevens de brandstof inhoud terug
gebracht van 10.000 liter terug gebracht naar 5200 liter. Ruim
voldoende om die doelen te bereiken die gepland zouden worden.
De zweefvliegtuigtrekker krijgt als aanduiding de Plan 'A'
(omgebouwde Mk III), Plan 'B' Stirlings zijn nieuw gebouwde Mk
IV's. Plan 'C' Stirlings zijn Mk V die geheel gebouwd worden
voor vrachtvervoer (zie de pagina over de crash van Stirling LK195 bij Venhuizen). De
Mk IV wordt tevens beter geschikt gemaakt om parachutisten te
droppen door een grotere deur te installeren en een glijstang
onder romp om de lijnen van de parachute te geleiden zodat
deze niet tegen de romp zouden slaan. Bij enkele Stirlings
wordt ook later de staartkoepel verwijderd. Tussen januari en
juli 1944 ontvangen zes squadrons de Mk IV, allen geïntegreerd
in No. 38 Group.
Stirling Mk
V
Gedurende het jaar 1943 worden er plannen gemaakt om een
Stirling versie te maken die alleen vracht en
passagiersvervoer zal doen. Een standaard Stirling Mk III
(LJ530) wordt omgebouwd. De neuskoepel verdwijnt en wordt van
scharnieren voorzien zodat de gehele neus open kan draaien om
vracht naar binnen te laten. Aan de stuurboordzijde wordt een
grote deur geplaatst voor het beladen van grote maten
pakketten. De deur, die naar beneden opendraaide, fungeerde
tevens als oprit. Ook worden er meer ramen in de romp
geplaatst. Tot het einde van de oorlog zijn de Strilings
gecamoufleerd, maar zodra de oorlog voorbij is wordt de verf
verwijderd wat snelheid ten goede komt. De Bristol Hercules
XVI motor weet de Stirling Mk V een snelheid van 280 mijl te
geven. Met een totaal gewicht tot 35.000 kilo kon het tot een
hoogte van 18.000 voet (6 km) stijgen, tot een afstand van
3000 mijl (± 4200 km). In plaats van vracht kunnen er ook 20
parachutisten in volle wapenuitrusting mee, of 12 brancards
samen met 14 zittende passagiers.
In mei 1945 wordt een Mk V geluidswerend gemaakt om te zien
of de burgerluchtvaart belangstelling heeft voor een civiele
Striling. Helaas kiest de BOAC de omgebouwde Halifax als
civiel toestel. Uiteindelijk na twee jaar weet Short 12
civiele Stirlings te verkopen aan België. Deze zetten de
toestellen in naar het Verre Oosten, maar na een jaar worden
de Stirlings al weer terug getrokken uit de service. In totaal
worden 2383 gebouwd, maar er worden 2372 Stirlings geleverd.
De RAF blijft nog tot half 1946 met de Stirling opereren,...
maar dan is het gebeurd,... voor de eerste Britse viermotorige
bommenwerper.
Vandaag de dag is er geen enkele Stirling meer te vinden.
Op enkele fragmenten na en een gedeelte van de romp (in Reims,
Frankrijk) is er geen enkele Stirling bewaard gebleven. In
Groot Brittannië wordt gewerkt aan de bouw van een 'nieuwe'
Stirling. Voor meer informatie zie: 'Stirling Project'